PERSBERICHT ARREST 159/2025 Grondwettelijk hof
De substantiële vermindering van het belastbare bedrag waarop de taks tot vergoeding van de successierechten wordt geheven, die slechts geldt voor (i)vzw’s en private stichtingen die actief zijn in bepaalde maatschappelijke sectoren, is ongrondwettig, maar het Hof handhaaft tijdelijk de gevolgen van de maatregel.
Vzw’s, ivzw’s en private stichtingen moeten jaarlijks een « taks tot vergoeding van de successierechten » (ook gekend als «patrimoniumtaks») betalen.
Een wet van 28 december 2023 hervormt die taks. Die wet bepaalt dat de belastbare grondslag in beginsel bestaat uit het geheel van de bezittingen van de belastingplichtigen, waar die zich ook bevinden. Voor belastingplichtigen uit bepaalde sectoren (zorgsector, sportsector, onderwijssector, cultuursector, erkende maatwerkbedrijven, medische huizen, erkende geïntegreerde gezondheidsverenigingen en wijkgezondheidscentra, erkende dierenasielen en erkende centra voor private archieven) wordt de belastbare grondslag echter met 62,3 % verminderd. Wat het tarief van de taks betreft, wordt voorzien in een progressief tarief per schijf, gaande van 0 % tot 0,45 %. Verschillende rechtspersonen die aan die taks zijn onderworpen, vorderen de vernietiging van die nieuwe bepalingen
Het Hof oordeelt dat de bestreden bepalingen de bevoegdheid verdelende regels niet schenden. Het is, volgens het Hof, evenwel discriminerend dat de vermindering van 62,3 % van de belastbare grondslag enkel voor bepaalde sectoren geldt. Op grond van de elementen die in de parlementaire voorbereiding worden aangevoerd, kan immers geen onderscheid worden gemaakt tussen de belastingplichtigen uit die sectoren en de andere vergelijkbare belastingplichtigen. Het Hof vernietigt bijgevolg de bepaling die in die vermindering voorziet, maar handhaaft de gevolgen ervan tot uiterlijk 31 december 2026.